Onderzoek

10 augustus 2026

Grote JAMA-studie over puberteitsremmers en suïcidaliteit: wat de onderzoekers zelf toegeven

In juli 2026 publiceerde JAMA Network Open een studie van Kronk et al. die puberteitsremmers associeert met minder suïcidaliteit bij transgenderjongeren. De auteurs erkennen zelf echter een cruciale selectiebias: clinici schrijven puberteitsremmers systematisch níet voor aan de meest kwetsbare jongeren. Dat ondergraaft de hoofdconclusie fundamenteel en illustreert een hardnekkig patroon in het onderzoeksveld.

Grote JAMA-studie over puberteitsremmers en suïcidaliteit: wat de onderzoekers zelf toegeven

Twijfel je, heb je spijt, letsel of ben je aan het detransitioneren?

Neem vertrouwelijk contact op

Op 17 juli 2026 verscheen in JAMA Network Open een retrospectieve cohortstudie onder de titel "Mental Health of Youths Who Use Puberty Blockers". Eerste auteur is Clair Kronk van de Icahn School of Medicine at Mount Sinai in New York. Het onderzoek analyseerde verzekeringsgegevens van circa 231.783 jongeren tussen de 10 en 17 jaar, verzameld over de periode 2016–2025. De conclusie die brede media-aandacht trok: puberteitsremmers zijn geassocieerd met minder stemmingsstoornissen en minder suïcidale gedachten bij transgenderjongeren. Wie het onderzoek zelf doorleest, ontdekt een reeks kritische beperkingen die de auteurs zelf benoemen — en die de hoofdconclusie ernstig ondergraven.

Wat de studie beweert

Kronk en collega's verdeelden hun cohort in vier groepen: transgenderjongeren mét puberteitsremmers (n=1.260), transgenderjongeren zónder puberteitsremmers (n=40.212), cisgender jongeren mét puberteitsremmers wegens vroegtijdige puberteit (n=78.111), en cisgender jongeren zonder behandeling (n=112.200). Transgenderjongeren bleken over de hele linie aanzienlijk vaker een stemmingsstoornis gediagnosticeerd te krijgen dan cisgender leeftijdgenoten: 30,67 procent tegenover 10,80 procent. Bij suïcidale gedachten en gedragingen was het verschil nog groter: 5,59 procent versus 0,91 procent. Binnen de transgendergroep was het gebruik van puberteitsremmers echter geassocieerd met lagere odds op een stemmingsstoornis (gecorrigeerde odds ratio: 0,52) en op suïcidaliteit (gecorrigeerde odds ratio: 0,20). De auteurs concludeerden dat puberteitsremmers de mentale gezondheidskloof gedeeltelijk kunnen dichten.

Het selectiebias-probleem dat de studie zelf erkent

Cruciaal is wat de onderzoekers zelf schrijven over de beperkingen van hun werk. Zij erkennen expliciet dat clinici puberteitsremmers waarschijnlijk vermijden bij jongeren met acute suïcidaliteit. Dit is een klassiek selectiebias-mechanisme: de jongeren die wél puberteitsremmers ontvangen, zijn niet representatief voor alle transgenderjongeren — het zijn bij voorkeur de psychologisch stabielere, minder risicovolle patiënten. De jongeren met de ernstigste psychische problemen worden dus systematisch uitgesloten van de behandelgroep. Dat maakt een vergelijking van de twee groepen fundamenteel scheef: lager suïcidaliteitsrisico in de behandelgroep kan net zo goed de selectiecriteria weerspiegelen als een therapeutisch effect van het medicament.

De auteurs schrijven verder dat de studie de temporele volgorde niet kon vaststellen: het is op basis van de gebruikte verzekeringsdata onmogelijk om te bepalen of de puberteitsremmers de mentale toestand verbeterden, of dat jongeren in betere mentale toestand vaker puberteitsremmers kregen. Dit is geen technische voetnoot — het is een fundamentele beperking die causale conclusies onmogelijk maakt.

Meer methodologische tekortkomingen

De studie vermeldt aanvullende problemen:

  • Ontbrekende gegevens: bij 28 procent van de patiëntjaren ontbraken data.
  • Niet-gemeten verstorende variabelen: gezinssteun, toegang tot zorg en psychosociale stabiliteit — factoren die zowel de kans op een recept als de mentale gezondheidsuitkomst sterk beïnvloeden — konden niet worden meegenomen in de analyse.
  • Beperkte externe validiteit: slechts 0 tot 4 transgenderjongeren per 100.000 ontvingen daadwerkelijk puberteitsremmers. De behandelgroep bestaat uit 1.260 jongeren op een totaalcohort van ruim 230.000 — een extreem kleine en hoogstwaarschijnlijk atypische subgroep.
  • Administratieve databron: verzekeringsgegevens bevatten geen klinische context, geen diagnoseverslagen en geen psychologische beoordelingen. Enkel wat declareerbaar is, is zichtbaar in de data.

Een herhaald patroon in het onderzoeksveld

De beperkingen van de Kronk-studie zijn niet uniek. Het Cass Review concludeerde na systematische analyse van de beschikbare literatuur dat het bewijs voor de effectiviteit en veiligheid van puberteitsremmers bij genderdysforie van opmerkelijk lage kwaliteit is. Ontbrekende controlegroepen, hoge uitvalcijfers en onvoldoende correctie voor verstorende variabelen zijn terugkerende problemen. Baxendale (2024) toonde eerder aan dat puberteitsremmers de hersenontwikkeling remmen, met mogelijk blijvende schade aan cognitieve functies. Elke nieuwe studie die positieve uitkomsten claimt, botst daarmee opnieuw op de vraag of de gemeten verbetering voortkomt uit het medicament of uit de selectie van wie het medicament ontvangt.

De Kronk-studie illustreert dit patroon opnieuw. Transgenderjongeren die puberteitsremmers ontvangen, vormen een kleine, geselecteerde groep die op het moment van voorschrijven psychisch stabieler is dan de bredere transgenderpopulatie. Dat die groep later lagere suïcidaliteitscijfers toont, is dan ook niet verrassend — maar het is evenmin bewijs dat het medicament hiervoor verantwoordelijk is.

Wat ontbreekt in de berichtgeving

De studie haalde breed de internationale media, met koppen als "Puberteitsremmers verminderen suïcidaliteit bij transgenderjongeren." In de meeste berichten bleven de door de auteurs zelf erkende methodologische beperkingen onvermeld. Dat is relevant voor het publieke debat: ouders, artsen en beleidsmakers nemen beslissingen op basis van dergelijke studies. Wanneer de kanttekeningen structureel worden weggelaten, ontstaat een vertekend beeld van de wetenschappelijke zekerheid rond puberteitsremmers.

De studie van Kronk et al. levert geen bewijs dat puberteitsremmers suïcidaliteit verminderen. Ze laat zien dat jongeren die puberteitsremmers ontvangen lagere suïcidaliteitscijfers vertonen — en erkent zelf dat dit verschil hoogstwaarschijnlijk deels of geheel door selectiebias wordt verklaard.


Bron:

  • Kronk CA, Jain R, Dai Y, et al. "Mental Health of Youths Who Use Puberty Blockers." JAMA Network Open. 17 juli 2026. jamanetwork.com